Na jaren kleinfruit te telen staan we soms nog steeds op het veld, terwijl we ons afvragen hoe we iets het beste kunnen aanpakken. Met zorgvuldige waarneming, de tijd nemen om met een vraagstuk rond te lopen en inzicht krijgen in hoe processen op elkaar inspelen, komen we een heel eind. Toch vraagt kleinfruitteelt, zeker op biodynamische wijze, altijd om aandacht, kennis en ervaring.
Ben je (beginnend) teler en wil je van gedachten wisselen? We denken graag met je mee, dus neem gerustn contact op.
Onze Zeeuwse kleigrond kent haar eigen uitdagingen: je zakt erin weg of ze is zo hard als beton. Vroeger noemden we het daarom wel ‘twee-minutengrond’: of het was te nat, of het was te hard. Echt werkbaar was het maar heel even. Na meer dan 30 jaar zorgvuldig omgaan met de bodem is de structuur zichtbaar veranderd. De grond is luchtiger geworden en beter bewerkbaar.
Ook zijn we beter gaan zien hoe de interactie is tussen onze aanplant en de grond. Om een voorbeeld te geven: vroeger zetten we een fruitstruik met een wortelstelsel uit een zandgrond in de koude, dichtgeslagen klei. Daar komt niet veel goeds van.
Inmiddels weten we dat we een plant moeten planten in een losse bodem met veel zuurstof en leven, en dat hij zijn eigen wortelstelsel moet kunnen vormen.
In de biologische teelt grijpen we niet in als dit schadelijk is voor het milieu. Als het niet schadelijk is, grijpen we heel precies in, om lekkere grote, makkelijk te plukken bessen te telen.
Zo bepalen we bijvoorbeeld hoeveel taklengte we aan een plant laten en hoeveel trossen we laten uitgroeien. Toppen, aanbinden, bloemdunnen en uitbuigen zijn allemaal aanpassingen aan de plant om hem zo te sturen in de richting die we voor ogen hebben.
Ook de omgeving zetten we soms een beetje naar onze hand. Op het bedrijf werken we vrijwel overal met regenkappen. Hun belangrijkste functie is om de grond in het voorjaar sneller te laten opdrogen. Die droogte zorgt ervoor dat de bodem eerder op gang komt, gaat leven, en voeding vrijmaakt, iets wat goed aansluit bij de van nature vroege start van bessen.
Van zichzelf passen bessen niet ideaal in de natte, koude Zeeuwse klei. Maar met deze aanpassingen lukt het wél om ze hier goed te telen.
Als fruitteler ligt de kern van het vak in het in balans houden van de plant: generatieve groei (bloei en vruchtvorming) en vegetatieve groei (blad- en scheutontwikkeling).
Een jonge plant is nog vooral vegetatief: die maakt groei, maar nog weinig vruchten. Een oudere plant kan juist doorschieten naar het generatieve: veel vruchten, maar weinig nieuwe groei.
Als fruitteler probeer je beide te behouden. We doen dat door steeds een nieuwe impuls te geven aan de groei wanneer de plant wat ouder wordt.
Wij merken dat het een uitdaging is om het hoofd te bieden aan veranderend weer. Het is en blijft een buitenteelt die onder invloed staat van alle weersomstandigheden.
Fruitteelt is, in vergelijking met andere landbouwsectoren, een uitdagende teelt om biologisch te doen, omdat gewassen redelijk kwetsbaar zijn voor ziekten en plagen.
Hitte kan op termijn een probleem worden; bessen zijn van nature een gewas voor een gematigd klimaat. Wanneer we te vaak te maken krijgen met hoge temperaturen, kan het zijn dat de teelt zich meer naar het noorden verplaatst.
In 2025 is een veld met rode bessen vrijwel volledig gekookt doordat het gewas enkele uren blootstond aan temperaturen boven de 37 graden.
Het komt erop neer dat je als teler eigenlijk volledig voorbereid moet zijn op elk weer, ook al komt het maar eens in de zoveel jaar voor.
Wat hierin ook meespeelt: Nederland is een duur productieland. Net voor de oogst zijn er al zoveel kosten gemaakt, dat je je niet kunt permitteren om op één punt niet voorbereid te zijn.